De Algemene Nabestaanden Wet (ANW)
is op 1 juli 1996 in de plaats gekomen van de Algemene Weduwen en Wezen Wet (AWW). In het algemeen is het uitkeringsniveau van de ANW beduidend lager dan het uitkeringsniveau van de AWW. In sommige gevallen wordt onder het regime van de ANW in het geheel geen uitkering meer verstrekt aan nabestaanden.
Wie heeft recht op uitkering ANW? In het algemeen heeft recht op een ANW uitkering:
de nabestaande die geboren is vóór 1950,
de nabestaande met een kind jonger dan 18 jaar.
Zodra het jongste kind de leeftijd van 18 jaar bereikt, vervalt de ANW uitkering, omdat de ouder op dat moment geacht wordt weer in staat te zijn aan het arbeidsproces deel te nemen. Of dat ook werkelijk lukt, is in de praktijk vaak zeer de vraag!
De ANW kent een inkomenstoets. Dat wil zeggen dat de uitkering wordt gekort als de nabestaande inkomen uit arbeid geniet. Naarmate dit inkomen hoger is, wordt de ANW-uitkering lager.
Om de nadelige gevolgen van de ANW op te heffen kan een werkgever een collectieve ANW-hiaat verzekering afsluiten voor alle werknemers. De kosten ervan kunnen worden gedragen door de werkgever, door de werknemer of door beiden voor een deel.
Ten aanzien van de dekking van de ANW-hiaat verzekering zijn twee hoofdvormen te onderscheiden:
De verzekering keert een jaarrente uit aan de nabestaande van de betrokken werknemer, onafhankelijk van de vraag of de nabestaande in aanmerking komt voor een ANW-uitkering. De uitkering wordt voortgezet totdat de nabestaande 65 jaar wordt of overlijdt.
De verzekering keert een jaarrente uit aan de nabestaande die geen recht heeft op een ANW-uitkering. Ingeval de nabestaande tenminste één kind heeft jonger dan 18 jaar, zal deze verzekering pas een uitkering verstrekken nadat dit kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt voortgezet tot het moment dat de nabestaande 65 jaar wordt of overlijdt.